Via een binnenlandse vlucht, waar we een prachtig uitzicht hebben op het Simien gebergte en het ruwe landschap ten oosten ervan, komen we aan in Lalibela. Het stadje Lalibela, vernoemd naar koning Lalibela, ligt op 2480 meter hoogte tussen de bergen van
Lasta. In de middeleeuwen was Lalibela (toen nog Roha genoemd) de hoofdstad van Ethiopië. Lalibela is vooral bekend om zijn beroemde rotskerken, voornamelijk door de manier waarop ze zijn gebouwd. Ze zijn in vulkanisch steen uitgehakt en wel door vanaf de top van het gesteente meters naar beneden te werken. De kerken zijn uitgeroepen tot het achtste wereldwonder (UNESCO).
Daarnaast vind je in Lalibela de Tukul, typische ronde huisjes van twee verdiepingen met een rond puntig rieten dak.
Nadat we onze spullen op onze kamer hebben neergezet gaan we meteen op weg naar de hoofdingang om ons entreeticket voor de komende dagen te halen en alvast een deel te verkennen.
Het complex bestaat uit en noordelijk en een zuidelijk deel en in het westen nog en eenzame kerk met in totaal twaalf kerken. De kerken vormen een symbolische voorstelling van het Heilig land. De noordelijke groep kerken staan voor het aardse Jeruzalem en de zuidelijke groep voor de hemel. De Yordanos, die symbool staat voor de Jordaan scheidt de twee gegroepeerde kerken van elkaar.
We bezoeken als eerste het noordelijke deel. De Bet Medhane Alem is het grootste monolitische gebouw ter wereld en naar verluidt een kopie van de Mariam Zionkerk in Axum (koning Lalibella wilde de Ark des Verbonds van Axum naar Lalibela verhuizen). Het herbergt het Lalibela-kruis. Die krijgen we echter niet te zien, omdat maar een deel van de kerken toegankelijk is.
Bij elke kerk hebben we hetzelfde ritueel, de schoenen uit en je (dubbele paar) sokken over je broekspijpen trekken.
Bij de meeste kerken loop je binnen over oude tapijten, die niet (nooit?) schoongemaakt worden en waar je de kans loopt om wat vlooienbeten op te lopen. Van binnen zien de kerken er over het algemeen rommelig uit en is er naast wat posters achter plastic weinig te zien. Je moet het hier meer hebben van de bewerkte buitenkanten. Een uitzondering is hier echter de volgende kerk, de Bet Mariam, waarschijnlijk de oudste kerk van het hele complex. Deze heeft nog oude beschilderingen aan het plafond en de gewelven zijn deels mooi bewerkt met symbolen. Er staat midden in de kerk ook nog een pilaar waar koning Lalibela alle geheimen van de kerk heeft laten vastleggen. Natuurlijk is de pilaar afgeschermd met kleedjes. Naast de Bet Mariam bevinden zich nog een twee kappelletjes, de Selassie kapel en de Bet Danaghel. De volgende twee kerken zijn aan elkaar gebouwd.
De Bet Mikael (ofwel Debre Sina) en de Bet Golgotha. De laatste is alleen toegankelijk voor mannen en heeft, naast het (niet toegankelijke) graf van koning Lalibella, twaalf levenshoge beelden van de twaalf apostelen. Slecht vier kan ik er zien en twee ervan zijn duidelijk verweerd. De andere twee zijn echter nog goed bewaard gebleven en zijn prachtig. De tombe van Adam completteerd het noordelijke deel.
De eenzame Bet Giyorgis in het westen is wellicht de mooiste om van buiten te zien. Boven op zijn dak is een groot kruis te zien en het is ongetwijfeld de meest gefotografeerde kerk van Lalibela.
Aan de andere kant van de Yordanos, waar in de rivier nog het monolitisch kruis staat, komen we in het zuidelijke deel. De Bet Gabriel-Rufael wordt op dit moment gerestaureerd en is niet toegankelijk. De Bet Abba Libanos is de enige kerk de met zijn dak nog aan het gesteente vastzit. We lopen verder en komen aan bij de prachtige Bet Emanuel, die waarschijnlijk heeft gediend als prive kapel voor de koninklijke familie.
Een vriendelijke predikant laat ons met trots de binnenkant zien en het is zowaar de meest opgeruimde kerk van binnen. Deze kerk bestaat uit twee verdiepingen met boven alleen een gallerie die via een spiralen trap bereikbaar is.
Wat leuk is aan vooral het zuidelijke deel is dat er allerlei kleine uitgehakte trapjes en gangetjes naar de verschillende kerken leiden. Het is fantastisch om die gangetjes te doorlopen en benieuwd te zijn waar we nu weer terecht komen. Via een van die gangetjes komen we terecht bij de Bet Mercurios. Deze heeft wellicht in het verleden gediend als gevangenis.
Bij deze laatste kerk weten we niet hoe we nu verder moeten lopen. Een suppoost wijst ons de weg. Hij loopt naar een houten toegangspoort in de vloer naast de kerk, opent hem, wijst naar beneden en zegt: “No light!”. We klimmen omlaag en schuifelen met de voeten en al voelend met de handen door een compleet donkere gang! Na een tijd ziet Jacqueline wat licht in de verte. We komen uit bij een nis en een brug en zetten onze zoektocht voort. Geweldig!!!
Achteraf horen we dat de tunnel de “hel” heet en dat we daarom geen licht mogen gebruiken. Verderop komen we bij een aantal kleine in de berg gehakte huisjes van de duidelijk minder bedeelde inwoners van Lalibela. We hebben een andere weg terug naar het noordelijke deel ontdekt. Hier zien we scholieren onder een boom zitten die hardop de tafeltjes opzeggen of liederen ten gehoor brengen. We lopen terug naar ons hotel na deze geweldige speurtocht…
Op de laatste avond dineren we bij Ben Abeba, een restaurant gerund door een Schotse vrouw die getrouwd is met een Ethiopier. Het restaurant is een spectaculair bouwwerk en het uitzicht is wellicht nog spectaculairder. We zien de zon ondergaan over een prachtig landschap. Er wordt een vuurtje gestookt en onder de heldere hemel smikkelen we van de heerlijke shepherd’s pie…
De dikke twee dagen Lalibela waren prachtig, het dorpje oogt wellicht minder dan Axum, maar is toch leuk en het struinen door de gangetjes bij de kerken is gewoonweg geweldig!









