Na de prachtige wandeling in de Tiger Leaping Gorge zijn we aangekomen in Lijiang, op zo’n 2350 meter hoogte. Je mag wel zeggen het Volendam van China. Je verdwaald al snel in de oude binnenstad als je niet goed op let. En als het dan gebeurd, dan weten de “locals” niet eens een adres, want je wordt in elke richting gestuurd, behalve de goede. Ze weten namelijk niet eens hun eigen adres!
Een deel van de lokale bevolking is van de Naxi minderheid, meestal gekleed in blauw en zwart, waar de vrouwen de dienst uit maken. Naxi trouwen niet en een Naxi vrouw kan meerdere “vrienden” achter elkaar hebben. Eventuele kinderen en het huis behoren de Naxi vrouw toe. De Naxi hebben ook een eigen taal en een hiërogliefen schrift, dat echter in vergetelheid dreigt te raken.
Lijiang is weliswaar een Volendam, maar dan voor de Chinese toeristen, want veel buitenlanders tref je hier niet echt aan. De kleine straatjes zijn bezaaid met souvenirshops en grote massa’s Chinese toeristen wurmen zich door nauwe passages over spekgladde ongelijke stenen. Alleen in de ochtend kun je nog enigszins rustig door de straten wandelen. In de avond bereikt de drukte zijn hoogtepunt en kun je jezelf nauwelijks verstaanbaar maken tussen het gekrakeel van de toeristen en het geschreeuw van de verkopers.
Maar toch voelt deze stad (inmiddels uitgegroeid tot een stad met meer dan één miljoen inwoners) gezellig aan. De nauwe straten, de lampionnetjes aan de kleine shops (elke Chinees is een eigen ondernemer en heeft een eigen zaakje van zo’n 12 m²) en zelfs de drukte geven deze stad een echte sfeer.
Na inmiddels al meer dan twee weken in China is Lijiang even een korte adem- en shop-pauze in het drukke reisprogramma.
Naast de oude binnenstad bezoeken we ook nog de Black Dragon Pool, een park net ten noorden van de oude binnenstad. Hier staat het waarschijnlijk meest gefotografeerde paviljoen van China. En dat heeft een reden. Het paviljoen staat midden in een klein meertje met daarnaast een mooie brug, waar je bij goed weer in de achtergrond de witte toppen van de Jade Dragon Snow Mountain ziet. Onze gids Lily verteld ons dat de laatste twee jaar er geen water in het meertje stond…
Nou, het water is er en de zon schijnt en de lucht is prachtig blauw! Wat hebben we weer geluk met het weer. Het ziet er werkelijk schitterend uit. We wandelen nog wat verder door het park en genieten nog even van de rust, de vogeltjes en enkele mooie vlinders die door het park vliegen. Nu kunnen we er even weer tegen… We lopen weer terug naar de drukke binnenstad…
Na een twee uur durende treinrit komen we aan in Dali. Dali ligt aan het Erhai meer. Deze stad van inmiddels ook weer meer dan één miljoen inwoners bestaat uit twee gedeeltes en ligt op zo’n 1900 meter hoogte. Het nieuwe deel ligt ten zuiden van het meer, terwijl het oude deel geklemd ligt tussen het westelijk deel van het meer en een bergmassief, de Jade Green Mountains, van wel 4000 meter hoogte. Ons hotel ligt vlakbij de stadsmuren van het oude deel van de stad.
Dali is ook een grote trekpleister voor toeristen, mede vanwege zijn aangename klimaat het hele jaar door. De zon schijnt volop en de temperatuur is een dikke 25 graden en alleen tegen het bergmassief zien we de wolken kleven.
De Bai is de belangrijkste minderheid in dit gebied. Het oude Dali, voormalig hoofdstad van de Yunnan provincie, wordt ook wel Nanzhao genoemd. Dat is ook de naam van het voormalig koninkrijk van de Bai dat uitstrekte tot Burma en Thailand.
Ook de Bai zijn voornamelijk Boeddhistisch en elk dorp in de buurt heeft wel een eigen tempel van honderden jaren oud, waar ook deels lokale goden worden aanbeden.
Bij het oude Dali zelf staat het beroemde complex van de Drie Pagodes.
De drie pagodes behoren tot de oudste nog staande gebouwen in het zuidwesten van China. De middelste pagode (Qianxun) stamt uit de 9-de eeuw, is 70 meter hoog en bestaat uit 16 verdiepingen. De andere twee pagodes zijn 42 meter hoog (10 verdiepingen) en zijn zo’n 100 jaar later gebouwd. Hun bouw verschilt nogal van de andere pagodes die ik tot nog toe heb gezien. De gebouwen zijn beroemd vanwege hun stevigheid, ze hebben meerdere catastrofes doorstaan, o.a. enkele zware aardbevingen, waarbij de pagodes bijna als enige bleven staan. De pagodes zelf zijn niet meer toegankelijk voor het publiek, niet alleen omdat ze heilig voor de Bai zijn, maar de deuren zijn ook gewoon dichtgemetseld. Jammer, ik had graag eens een blik naar binnen willen werpen…
Het terrein van de pagodes is groot en er staat ook nog een groot tempel complex op, de Chongsheng tempel, wat ooit de koninklijke tempel was van het Dali koninkrijk. Deze werd echter door een vuur verwoest tijdens de Qing dynastie en is in 2005 herbouwd. Achter elke tempel bevindt zich weer een nieuwe tempel. Er zijn zeker 9 tot 10 tempel delen achter elkaar gebouwd, steeds hoger op de berg. In één van de laatste tempels zingen enkele monniken hun mantra’s.
Hun stemmen schallen over het hele complex. In elke tempel staan weer verschillende verschijningsvormen van Boeddha, de ene nog groter dan de andere. Helaas wordt ik wellicht een beetje tempel moe, want ik kan niet meer alle namen, vormen en houdingen van de Boeddha’s herinneren. En het verschil tussen de ene tempel en de andere tempels van deze stijl zie ik zo langzamerhand ook niet meer…
Om weer even tot rust te komen gaan we een dagje met gehuurde fietsen langs enkele dorpjes van het Erhai meer. Dat China de laatste decennia een stormachtige groei doormaakt is ook hier te zien. Van de vele akkers, rijstvelden en rustieke dorpjes is niet veel meer over. Bijna overal staan huizen of worden nieuwe huizen gebouwd. Zo nu en dan tref je nog wat akker velden aan. Steden als Lijiang en Dali zijn in geen tijd van kleine dorpen (met 40 duizend inwoners) uitgegroeid tot grote drukke steden.
Toch is het heerlijk fietsen langs het meer en we stoppen bij enkele mooie plekken en bekijken ook enkele tempels in de dorpen rondom Dali. We lunchen bij een Nederlandse expat die net twee maanden geleden een klein pension begonnen is. Het eten smaakt voortreffelijk!
We fietsen verder en komen aan in het plaatsje Xizhou aan het Erhai meer. Hier stappen we in een roeiboot om een Bai traditie te zien. De lokale visser vissen namelijk met behulp van aalscholvers. Ze leiden de jonge dieren in 6 maanden op om vissen voor hun te vangen. Deze traditie dreigde aan het einde van de eeuwwisseling uit te sterven omdat de regering het vissen in het Erhai meer verbood. Van de oorspronkelijk 70 Bai families met zo’n 1500 aalscholvers bleven er rond 2005 nog maar 4 families over met zo’n 180 aalscholvers.
De toeristenindustrie bood echter een oplossing. Nu worden de kunsten van de aalscholvers aan toeristen getoond en zo wordt de traditie in stand gehouden. We zien een tweetal boten met elk zo’n twaalftal aalscholvers. De aalscholvers worden te water los gelaten en duiken vervolgens onder water om vissen te vangen. Als ze er eentje gevangen hebben brengen ze deze terug naar de boot (en ontvangen een klein hapje). Natuurlijk is het een opgevoerde show (de vis hadden ze waarschijnlijk al aan boord en hebben ze snel even stiekem in het water gegooid), want ik denk dat het normale vis vangen wel iets langer duurt (en echt niet altijd zo’n grote vis oplevert). Maar het laat wel goed zien hoe het in het verleden gebeurde…
Na deze “show” worden we in de roeiboot naar een podium op het water gebracht waar een aantal vrouwen in de traditionele klederdracht wat liedjes en dansjes opvoeren, niet echt mijn ding… Op de weg terug naar de oever beginnen de roeiers spontane aria’s over en weer tussen de boten te brengen. Ook dit is een traditie bij de Bai. Vroeger vermaakte men zich op deze manier of zong men gezamenlijk om zo met het volgende dorp te kunnen praten…









